Lukas 4
16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge;12 en stond op om te lezen.
17 En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja;13 en als Hij het boek opengedaan had,14 vond Hij de plaats, daar geschreven was;15
18 De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;
19 Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht,16 om de verslagenen heen te zenden17 in vrijheid;18 om te prediken het aangename jaar des Heeren.19
| 12) | des sabbats in de synagoge; |
| Grieks der sabbaten. | |
| 13) | gegeven het boek van den profeet Jesaja; |
| Dat is, gelangd, of toegereikt. Zie Hand. 13:15. | |
| 14) | opengedaan had, |
| Grieks ontvouwd, of ontrold had; gelijk veeltijds de boeken in oude tijden op perkamenten of papieren rollen geschreven werden, Ps. 40:8; Hebr. 10:7; Openb. 6:14. | |
| 15) | de plaats, daar geschreven was; |
| Hier schijnt Christus twee plaatsen uit Jesaja tezamen gevoegd te hebben; want sommige van deze woorden staan Jes. 61:1, en sommige Jes. 42:7. | |
| 16) | het gezicht, |
| Grieks het verkrijgen des gezichts. | |
| 17) | de verslagenen heen te zenden |
| Of verwondden. | |
| 18) | in vrijheid; |
| Grieks in loslating. | |
| 19) | het aangename jaar des Heeren. |
| Zo wordt de tijd van de toekomst van den Messias en der predikatie van het Evangelie genaamd, omdat het aangename jubeljaar daarvan een voorbeeld is geweest, op welke alle goederen, die vervreemd waren, tot hun eersten eigenaar kwamen, en alle dienstknechten uit de Israƫlieten in vrijheid gesteld werden, Lev. 25:8, enz. |
De Heere Jezus leest deze tekst, staande (!) uit eerbied voor het woord van God, in de tempel:
Jesaja 61
1 De Geest1 des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft,2 om een blijde boodschap3 te brengen den zachtmoedigen;4 Hij heeft Mij gezonden om te verbinden5 de gebrokenen6 van hart, om den gevangenen7 vrijheid uit te roepen,8 en den gebondenen9 opening der gevangenis;
2 Om uit te roepen10 het jaar11 van het welbehagen des HEEREN, en den dag12 der wraak onzes Gods; om alle treurigen13 te troosten;
3 Om den treurigen Sions14 te beschikken dat hun gegeven worde sieraad15 voor as,16 vreugdeolie17 voor treurigheid, het gewaad18des lofs voor een benauwden19 geest;20 opdat zij genaamd worden eikebomen21 der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.
| 1) | Geest |
| Dit spreekt Christus, gelijk af te nemen is Luk. 4:17, enz. Zie Joh. 1:33. | |
| 2) | gezalfd heeft, |
| Door deze zalving wordt verstaan dat Christus naar zijn menselijke natuur met de gaven van den Heiligen Geest zonder mate begaafd en versierd is geworden; en naar den gansen persoon tot onzen Koning, Priester en Profeet van den Vader is verordineerd geworden; zie Hebr. 1:9. | |
| 3) | om een blijde boodschap |
| Of, om een goede boodschap te verkondigen of te prediken. Welke tijding of boodschap is dat? Van de vergeving der zonden, zie Ps. 40:10, en Ps. 96:2. | |
| 4) | den zachtmoedigen; |
| Of, nederigen, Luk. 4:18, waar deze woorden van den profeet aangehaald worden, staat den armen, te weten den armen van geest, Matth. 5:3; want den zodanigen wordt het Evangelie gepredikt; Matth. 11:5. | |
| 5) | om te verbinden |
| Versta dit geestelijkerwijze, namelijk van de vertroosting der ziel, die door de predikatie van het heilig Evangelie geschiedt. | |
| 6) | de gebrokenen |
| Dit zijn degenen, die bedroefd en verslagen van harte zijn vanwege hun menigvuldige zonden en overtredingen; zie Ps. 34:19, en Ps. 51:19; Jes. 57:15. | |
| 7) | den gevangenen |
| Dat is, dengenen, die onder het geweld des duivels of van zijne aanhangers gevangen liggen, vanwege hun begane zonden; Rom. 7:23; 2 Tim. 2:26, en 2 Tim. 3:6; zie Jes. 42:7. | |
| 8) | uit te roepen, |
| Of, te prediken, te verkondigen. | |
| 9) | den gebondenen |
| Dit is hetzelfde, dat straks gezegd is, met andere woorden. | |
| 10) | Om uit te roepen |
| Of, om te prediken. | |
| 11) | het jaar |
| Dat is, den tijd, of het jaar in hetwelk het den Heere behagen of believen zal zijne genade den bedroefden conscientiƫn te openbaren en te bewijzen, te weten door de predikatie van het heilig Evangelie; zie Jes. 40:8; 2 Cor. 6:2; Tit. 3:4. | |
| 12) | den dag |
| Dat is, dien dag, dien God verordineerd of bestemd heeft, in welken Hij alle ongelovigen, onboetvaardigen en vijanden zijner kerk, mitsgaders den duivel, in de eeuwige verdoemenis werpen zal. Zie Jes. 34:8, en Jes. 63:4; Luk. 18:7, en 2 Cor. 10:6. | |
| 13) | treurigen |
| Te weten die treuren over hunne zonden, waarmede zij God vertoornd hebben; 2 Cor. 7:10,11; Jak. 4:9. Of degenen, die treurig zijn vanwege de ellenden der kerk, Jes. 66:10. Want den dusdanigen belooft Christus vertroosting; Matth. 5:4. | |
| 14) | Sions |
| Dat is, der kerk van God. | |
| 15) | sieraad |
| Dit is, schone klederen of heerlijkheid, welk woord Matth. 6:29 gebruikt wordt voor schone klederen. Hebreeuws, om hun te geven sieraad, enz. | |
| 16) | as, |
| Die men op het hoofd placht te strooien en daarin te zitten als men treurde. | |
| 17) | vreugdeolie |
| Eertijds placht men ten tijde van vreugde het aangezicht met olie te zalven; maar hier wordt gesproken van de vreugdeolie van den Heiligen Geest, Joh. 14:26,27, en Joh. 15:11. Vergelijkt met de woorden van den profeet hetgeen geschreven staat Hebr. 1:9. | |
| 18) | het gewaad |
| Dat is, een kleed, hetwelk prijzenswaardig is vanwege zijne schoonheid en sierlijkheid; of een kleed, hetwelk men aantrok als men feestdag hield en de gemeente samenkwam om God voor ontvangen genade te danken en te loven. Doch versta hier door het sierlijk gewaad de genaden en giften van den Geest Gods. | |
| 19) | benauwden |
| Of, beangstigden. Hebreeuws, samengewrongen geest, die van hartzeer en droefenis als samengekrompen is. | |
| 20) | geest; |
| Dat is, gemoed. | |
| 21) | eikebomen |
| Bij deze bomen versta degenen, die door het geloof Christus Jezus zijn ingeplant, en die vruchten der gerechtigheid, dat is goede werken dragen. Zie boven Jes. 60:21. De eikebomen der gerechtigheid worden gesteld tegen de eikebomen, die zij misbruikt hadden tot afgoderij. En de gelovigen worden eikebomen genaamd, ten aanzien van hunne sterkte in Christus. |
Metthew Henry:
"Deze tekst geeft een volledig bericht van Christus' onderneming, en het werk, dat Hij is komen doen in de wereld.
...
Drie dingen heeft Hij te prediken:
a. Loslating aan de gevangenen. Het Evangelie is ene verkondiging van vrijheid zoals die van Israƫl in Egypte en in Babylon. Door de verdienste van Christus kunnen zondaren verlost worden van de banden der schuld, en door Zijn geest en genade van de slavernij van het bederf. Het is en bevrijding uit de ergste slavernij, welke allen ten deel valt, die gewilligen bereid zijn om Christus ot hun Hoofd te maken, en zich door Hem willen laten regeren.
b. Het gezicht aan de blinden. Hij is gekomen, niet slechts om hun door het woord Zijns Evangelies
licht te brengen, die in duisternis zijn gezeten, maar om door de kracht Zijner genade het gezicht te
geven aan hen, die blind waren, niet slechts aan de heidenwereld, maar aan iedere onwedergeboren
ziel, dat is niet slechts in gevangenschap, maar in blindheid, zoals Simson en Zedekia. Christus is gekomen om ons te zeggen, dat Hij een ogenzalf voor ons heeft, die wij slechts behoeven te vragen
om haar te verkrijgen, dat, indien ons gebed is: Heere, dat onze ogen geopend mogen worden, Zijn
antwoord zijn zal: Wordt ziende.
c. Het aangename jaar des Heeren, vers 19. Hij kwam om de wereld te doen weten, dat God, dien zij beledigd hadden, met hen verzoend wilde zijn, hen wilde aannemen op nieuwe voorwaarden, dat er nu een tijd is van welbehagen in de mensen. Dit ziet op het jaar der vrijlating, of jubeljaar, dat het aangename jaar was voor dienstbaren, die dan in vrijheid werden gesteld, voor schuldenaars, tegen
wie dan alle recht en aanspraak ophielden, en voor hen, die hun land verpand hadden, want dan werd het weer hun eigendom. Christus is gekomen om het geklank der bazuin van het jubeljaar te doen horen, en zalig zij, die dat geklank horen, Psalm 89:16. Het was een aangename tijd, want het was de dag der zaligheid."