Plaats: Opheusden
Kerk: Gereformeerde Gemeente
Voorganger: Ds. F. Mulder
Tijd: 17 april 2017 11.30u
Jozua 24
15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!
Hoofdpunten:
1. Het dienen van de HEERE door Jozua's bondsvolk Israël
2. Het dienen van de HEERE door Jozua zelf
Kerk: Gereformeerde Gemeente
Voorganger: Ds. F. Mulder
Tijd: 17 april 2017 11.30u
Jozua 24
15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!
Hoofdpunten:
1. Het dienen van de HEERE door Jozua's bondsvolk Israël
2. Het dienen van de HEERE door Jozua zelf
Voor de dienst speelt de organist Psalm 105 en Psalm 121.
Psalm 119
Vers 83
Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, HEER, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
'k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Vers 83
Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, HEER, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
'k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Psalm 84
Vers 1
Hoe lief'lijk, hoe vol heilgenot,
O HEER, der legerscharen God,
Zijn mij Uw huis en tempelzangen!
Hoe branden mijn genegenheên,
Om 's HEEREN voorhof in te treên!
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen;
Mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
En aan mijn ziel het leven geeft.
Vers 2
Zelfs vindt de mus een huis, o HEER,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In 't kunstig nest bij Uw altaren,
Bij U, mijn Koning en mijn God,
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot;
Geduchte HEER der legerscharen,
Welzalig hij, die bij U woont,
Gestaâg U prijst en eerbied toont.
Psalm 103
Vers 9
Maar 's HEEREN gunst zal over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht,
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d' oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.
Vers 9
Maar 's HEEREN gunst zal over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht,
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d' oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.
Psalm 87
Vers 4
God zal ze zelf bevestigen en schragen,
En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
En doen den naam van Sions kind'ren dragen.
Vers 4
God zal ze zelf bevestigen en schragen,
En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,
Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
En doen den naam van Sions kind'ren dragen.
Psalm 105
Vers 5
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Vers 5
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Genesis 12
6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was.
Jozua 24
15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!
Jeremia 17 vers 9.
9 Arglistig34 is het hart,35 meer dan enig ding,36 ja, dodelijk37 is het, wie zal het kennen?
10 Ik, de HEERE,38 doorgrond het hart, en proef de nieren;39 en dat,40 om een iegelijk te geven naar zijn wegen,41 naar de vrucht42 zijner handelingen.
34)Arglistig Of, tukachtig, bedriegelijk, achterhoudend, genegen tot overtreding. Het Hebreeuwse woord akob is hetzelfde, waarvan de patriarch Jakob zijnen naam gekregen heeft, omdat hij zijnen broeder in de geboorte bij den hiel had; maar dat het ook de betekenis heeft van list, lage, bedrog, tukken, ondertreding, enz., blijkt niet alleen hier, maar ook boven Jer. 9:4; Gen. 27:36; Joz. 8:13; 2 Kon. 10:19. 35)hart, Van den mens na den val, zolang het door den geest der wedergeboorte niet is vernieuwd; en zo boos van harte waren de huichelaars en afvallige Joden, die van God afweken en op Hem niet vertrouwden, hoewel zij het niet wilden weten, maar zichzelven in hunne boosheid liefkoosden en de bestraffing der profeten verachtten, waarover God verklaart hun richter te zullen zijn, in Jer. 17:10. 36)enig ding, Of, bovenal. 37)dodelijk Ten dode strekkende, waar de dood aan vast is, ongeneeslijk, vertwijfeld boos. Van het Hebreeuws woord heeft de mens den naam van Enosch, betekenende zijn sterflijken of ellendigen staat, in welken hij door de zonde gevallen is.
Markus 715 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!
Jeremia 17 vers 9.
9 Arglistig34 is het hart,35 meer dan enig ding,36 ja, dodelijk37 is het, wie zal het kennen?
10 Ik, de HEERE,38 doorgrond het hart, en proef de nieren;39 en dat,40 om een iegelijk te geven naar zijn wegen,41 naar de vrucht42 zijner handelingen.
34)Arglistig Of, tukachtig, bedriegelijk, achterhoudend, genegen tot overtreding. Het Hebreeuwse woord akob is hetzelfde, waarvan de patriarch Jakob zijnen naam gekregen heeft, omdat hij zijnen broeder in de geboorte bij den hiel had; maar dat het ook de betekenis heeft van list, lage, bedrog, tukken, ondertreding, enz., blijkt niet alleen hier, maar ook boven Jer. 9:4; Gen. 27:36; Joz. 8:13; 2 Kon. 10:19. 35)hart, Van den mens na den val, zolang het door den geest der wedergeboorte niet is vernieuwd; en zo boos van harte waren de huichelaars en afvallige Joden, die van God afweken en op Hem niet vertrouwden, hoewel zij het niet wilden weten, maar zichzelven in hunne boosheid liefkoosden en de bestraffing der profeten verachtten, waarover God verklaart hun richter te zullen zijn, in Jer. 17:10. 36)enig ding, Of, bovenal. 37)dodelijk Ten dode strekkende, waar de dood aan vast is, ongeneeslijk, vertwijfeld boos. Van het Hebreeuws woord heeft de mens den naam van Enosch, betekenende zijn sterflijken of ellendigen staat, in welken hij door de zonde gevallen is.
21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten,26 overspelen, hoererijen, doodslagen,
22 Dieverijen, gierigheden,27 boosheden, bedrog, ontuchtigheid,28 een boos oog,29 lastering, hovaardij, onverstand.30
23 Al deze boze dingen komen voort van binnen,31 en ontreinigen den mens.
Mattheus 15
19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen,7 doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen,7 doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
7 En de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen.
Numeri 27
18 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is;21 en leg uw hand op hem;22
21)de Geest is; Te weten, die hem nodig is in zulk een zware regering, als de Geest van de vreze des HEEREN, der wijsheid, der sterkte, der gerechtigheid, des gedulds, der matigheid; welke gaven van mijn Geest voortkomen. 22)leg uw hand op hem; Door deze ceremonie moest hij Gode toegeheiligd en overgegeven zijn, om zijn ambt getrouwelijk te bedienen, en daartoe de nodige gaven ontvangen. Zie van het onderscheiden gebruik dezer ceremonie Gen. 48:14; Lev. 1:4; Num. 8:10.
Hebreen 11
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde,58 geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;59
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde60 te hebben;
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn,61 dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.62
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten,63 niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast,64 als ziende65 den Onzienlijke.66
60)de genieting der zonde Dat is, de vermakingen en gemakken van het hof van Farao, die hij, zonder zich tegen God te bezondigen, niet kon genieten. 61)Christus meerderen rijkdom te zijn, Dat is, die hij om de verwachting van Christus en naar Christus' voorbeeld zou moeten lijden. Zie dergelijke 2 Cor. 1:5; Col. 1:24. Want Mozes heeft ook den dag van Christus gezien en zich daarin verheugd, gelijk van Abraham gezegd wordt, Joh. 8:56. 62)op de vergelding des loons. Namelijk die eeuwig en onvergankelijk zou zijn in den hemel, 1 Petr. 1:4,5,6; waar de gelovigen ook op mogen zien, als op een loon, niet dat God hun schuldig zou zijn, of dat zij zouden verdienen, maar dat God hun Vader hun als Zijne kinderen uit genade belooft te zullen geven. Zie Matth. 5:10,11,12.
Zelfkennis en kennis van God.
24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde,58 geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;59
25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde60 te hebben;
26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn,61 dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.62
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten,63 niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast,64 als ziende65 den Onzienlijke.66
60)de genieting der zonde Dat is, de vermakingen en gemakken van het hof van Farao, die hij, zonder zich tegen God te bezondigen, niet kon genieten. 61)Christus meerderen rijkdom te zijn, Dat is, die hij om de verwachting van Christus en naar Christus' voorbeeld zou moeten lijden. Zie dergelijke 2 Cor. 1:5; Col. 1:24. Want Mozes heeft ook den dag van Christus gezien en zich daarin verheugd, gelijk van Abraham gezegd wordt, Joh. 8:56. 62)op de vergelding des loons. Namelijk die eeuwig en onvergankelijk zou zijn in den hemel, 1 Petr. 1:4,5,6; waar de gelovigen ook op mogen zien, als op een loon, niet dat God hun schuldig zou zijn, of dat zij zouden verdienen, maar dat God hun Vader hun als Zijne kinderen uit genade belooft te zullen geven. Zie Matth. 5:10,11,12.
Zelfkennis en kennis van God.
2 Samuel 23
5 Hoewel mijn huis10 alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd11 en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.12
10)Hoewel mijn huis David belijdt hier zijne en zijns huizes zonden en onwaardigheid. [Vergelijk 2 Sam. 7:18,19, enz., en zie 2 Sam. 11, 2 Sam. 12, 2 Sam. 13, 2 Sam. 15, enz.], en roemt daartegen Gods onverdiende weldadigheid, hem bewezen door het eeuwig en onveranderlijk genadeverbond, zijnde gegrond in den Messias, wiens dag David [gelijk Abraham] door het geloof ziende, daarop getroost en verheugd in den Heere ontslapen is. Vergelijk 2 Sam. 22:51, en Ps. 72:20, met de aantekeningen. 11)wel geordineerd Dat is, hetwelk in Gods eeuwigen raad, tot zijn eer en zaligheid zijns volks, met alle middelen daartoe behorende, wijselijk besloten en voorgeschikt is, en tot de eindelijke vervulling toe zo vast bewaard is en gehouden zal worden, dat de poorten der hel daartegen niet zullen vermogen. Vergelijk Matth. 16:18; Hand. 13:23,32,33, enz.; Ef. 1:3,4, enz.; 1 Petr. 1:5,10,11, enz. 12)uitspruiten. Dat is, hoewel de beloofde Scheut, of Spruit van Isaï en David, de Middelaar des verbonds, de Messias, nog niet is gekomen. Vergelijk Jes. 4:2, en Jes. 11:1; Jer. 23:5, en Jer. 33:15; Zach. 3:8, en Zach. 6:12. Sommigen verstaan dat David in 2 Sam. 23:4,5 tegen elkander stelt de vergankelijkheid der dingen, die in 2 Sam. 23:4 verhaald staan, en de eeuwigheid zijns koninkrijks en van zijn huis in den Messias, die uit zijn zaad voortkomen zou, en zetten deze verzen aldus over: 4 En gelijk een licht des morgens, [wanneer] de zon opgaat; des morgens zonder wolken zijnde, van den glans, van den regen, de grasscheutjes uit de aarde [uitspruiten]; 5 dat alzo mijn huis bij God niet zal zijn; want Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld; in alles wel toegerust en bewaard; voorzeker al mijn heil en welgevallen is, dat Hij het niet zal doen uitspruiten. [Als hetwelk nu reeds uitgesproten is, en in de eeuwigheid niet zal vergaan].
"Mij en mijn huis: een gelukkig gezin."
5 Hoewel mijn huis10 alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd11 en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.12
10)Hoewel mijn huis David belijdt hier zijne en zijns huizes zonden en onwaardigheid. [Vergelijk 2 Sam. 7:18,19, enz., en zie 2 Sam. 11, 2 Sam. 12, 2 Sam. 13, 2 Sam. 15, enz.], en roemt daartegen Gods onverdiende weldadigheid, hem bewezen door het eeuwig en onveranderlijk genadeverbond, zijnde gegrond in den Messias, wiens dag David [gelijk Abraham] door het geloof ziende, daarop getroost en verheugd in den Heere ontslapen is. Vergelijk 2 Sam. 22:51, en Ps. 72:20, met de aantekeningen. 11)wel geordineerd Dat is, hetwelk in Gods eeuwigen raad, tot zijn eer en zaligheid zijns volks, met alle middelen daartoe behorende, wijselijk besloten en voorgeschikt is, en tot de eindelijke vervulling toe zo vast bewaard is en gehouden zal worden, dat de poorten der hel daartegen niet zullen vermogen. Vergelijk Matth. 16:18; Hand. 13:23,32,33, enz.; Ef. 1:3,4, enz.; 1 Petr. 1:5,10,11, enz. 12)uitspruiten. Dat is, hoewel de beloofde Scheut, of Spruit van Isaï en David, de Middelaar des verbonds, de Messias, nog niet is gekomen. Vergelijk Jes. 4:2, en Jes. 11:1; Jer. 23:5, en Jer. 33:15; Zach. 3:8, en Zach. 6:12. Sommigen verstaan dat David in 2 Sam. 23:4,5 tegen elkander stelt de vergankelijkheid der dingen, die in 2 Sam. 23:4 verhaald staan, en de eeuwigheid zijns koninkrijks en van zijn huis in den Messias, die uit zijn zaad voortkomen zou, en zetten deze verzen aldus over: 4 En gelijk een licht des morgens, [wanneer] de zon opgaat; des morgens zonder wolken zijnde, van den glans, van den regen, de grasscheutjes uit de aarde [uitspruiten]; 5 dat alzo mijn huis bij God niet zal zijn; want Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld; in alles wel toegerust en bewaard; voorzeker al mijn heil en welgevallen is, dat Hij het niet zal doen uitspruiten. [Als hetwelk nu reeds uitgesproten is, en in de eeuwigheid niet zal vergaan].
"Mij en mijn huis: een gelukkig gezin."
Jozua 24 vs 5
"..maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!"
"..maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!"
Het gezin van de stokbewaarder:
Handelingen 16
34 En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor,68 en verheugde zich,69 dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.70
Geloofsbelijdenis: 'ja' zeggen tot eer en verheerlijking van Gods Naam.
Het is dus tot eer van God om te geloven.
Geloven in Hem Die is opgestaan uit de doden. Geloven in Jezus Christus.
Johannes 11
25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding29 en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware30 hij ook gestorven;31
26 En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in32 der eeuwigheid. Gelooft gij dat?
29)Ik ben de Opstanding Dat is, ik ben de bewerker en oorzaak der opstanding en des levens. 30)leven, al ware Dat is, zal tot het eeuwige leven weder opgewekt worden. 31)gestorven; Namelijk naar het lichaam. 32)niet sterven in Namelijk den eeuwigen en tweeden dood; Openb. 20:6.
Geloofsbelijdenis: 'ja' zeggen tot eer en verheerlijking van Gods Naam.
Het is dus tot eer van God om te geloven.
Johannes 11
25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding29 en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware30 hij ook gestorven;31
26 En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in32 der eeuwigheid. Gelooft gij dat?
29)Ik ben de Opstanding Dat is, ik ben de bewerker en oorzaak der opstanding en des levens. 30)leven, al ware Dat is, zal tot het eeuwige leven weder opgewekt worden. 31)gestorven; Namelijk naar het lichaam. 32)niet sterven in Namelijk den eeuwigen en tweeden dood; Openb. 20:6.
"Want Ik leef, en gij zult leven":
Johannes 14
19 Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet40 meer zien; maar gij zult Mij41 zien; want Ik leef, en gij42 zult leven.43
40)zal Mij niet Grieks ziet mij niet meer. 41)gij zult Mij Grieks gij ziet mij. 42)leef, en gij Dat is, zal haast weder levend worden. 43)zult leven. Dat is, Ik zal u nog levend vinden. Anderen zetten het over: omdat Ik leef, zo zult gij ook leven; namelijk een geestelijk en eeuwig leven.
19 Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet40 meer zien; maar gij zult Mij41 zien; want Ik leef, en gij42 zult leven.43
40)zal Mij niet Grieks ziet mij niet meer. 41)gij zult Mij Grieks gij ziet mij. 42)leef, en gij Dat is, zal haast weder levend worden. 43)zult leven. Dat is, Ik zal u nog levend vinden. Anderen zetten het over: omdat Ik leef, zo zult gij ook leven; namelijk een geestelijk en eeuwig leven.
Dat is Gods verbondstrouw aan Israël en Zijn kerk.
Psalm 105
Vers 5
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
Psalm 105
Vers 5
God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.


