Jesaja 40
10 Ziet, de Heere HEERE40 zal komen tegen den sterke,41 en Zijn arm zal heersen;42 ziet, Zijn loon43 is bij Hem,44 en Zijn arbeidsloon45 is voor Zijn aangezicht.
11 Hij zal Zijn kudde46 weiden47 gelijk een herder; Hij zal de lammeren48 in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden49 zal Hij zachtjes leiden.
12 Wie heeft50 de wateren met Zijn vuist51 gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling52het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
14 Met wien56 heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand57 zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen58verstands?
15 Ziet, de volken zijn geacht59 als een druppel60 van een emmer, en als een stofje van de weegschaal;61 ziet, Hij werpt62 de eilanden henen als dun stof!
| 40) de Heere HEERE | |
| Te weten Christus. Dit zijn nu de woorden van den profeet. | |
| 41) tegen den sterke, | |
| Te weten den duivel van de hel, Matth. 12:29; Joh. 12:31; Col. 2:15; Hebr. 2:14; 1 Joh. 3:8. Anders: met een sterke[hand]. | |
| 42) zal heersen; | |
| Anders, zal over hem [te weten den Satan] heersen; dat is, Christus zal den duivel overwinnen. [Alzo wordt heersenvoor overwinnen genomen, onder Jes. 41:2]. Hij zal hem zijne wapenen uittrekken en zijne macht benemen. Vergelijk Luk. 11:21; Joh. 12:31; Col. 2:15; Hebr. 2:14. | |
| 43) Zijn loon | |
| Dat is, de straf, die Hij dien sterke en deszelfs aanhangers geven zal, te weten den Satan en den goddelozen mensen, dien zal Hij de eeuwige verdoemenis geven en de genadige beloning aan zijne uitverkorenen. Vergelijk Rom. 2:6; Openb. 22:12. | |
| 44) bij Hem, | |
| Te weten bij den Heere; gelijk Jes. 62:11. | |
| 45) Zijn arbeidsloon | |
| Hebreeuws, zijn werk; dat is, werkloon, of vergelding, die Hij den mensen naar hun werk geven zal; vergelijk Jer. 22:13, met de aantekening. | |
| 46) Zijn kudde | |
| Dat is, zijne schapen, de gelovigen. Zie Ezech. 34:23,24, en Job 10:11. | |
| 47) weiden | |
| Dat is, onderrichten en onderwijzen door de predikatie van zijn Woord. | |
| 48) de lammeren | |
| Dat is, de nederigen en verslagenen van gemoed zal Hij vriendelijk aannemen en troosten; Matth. 11:28. | |
| 49) zogenden | |
| Of, dragende. | |
| 50) Wie heeft | |
| Alsof hij zeide: Heeft het niet Jezus Christus, als een almachtig God, gedaan? wiens macht, wijsheid en majesteit oneindelijk en onbegrijpelijk zijn. | |
| 51) met Zijn vuist | |
| Of, met zijn holle hand. | |
| 52) een drieling | |
| Zie de aantekening Ps. 80:6. | |
| 53) den Geest | |
| Vergelijk Rom. 11:34, en 1 Cor. 2:16. | |
| 54) bestierd, | |
| Of, afgemeten, of afgewogen; dat is volkomenlijk gekend. | |
| 55) onderwezen? | |
| Of, geleerd. Hebreeuws, kennis gegeven, of wetende gemaakt. | |
| 56) Met wien | |
| Alsof hij zeide: Wie durft zich beroemen dat hij den Heere heeft gewezen den weg, dien Hij ingaan en houden moet om zijne schepselen wijs en rechtvaardig te regeren? | |
| 57) die Hem verstand | |
| Of, die hem verstandig zou maken. | |
| 58) veelvoudigen | |
| Hebreeuws, der verstandigheden. | |
| 59) zijn geacht | |
| Te weten van den Heere, en bij Hem vergeleken zijnde. | |
| 60) als een druppel | |
| Te weten als een druppel, die aan een emmer vol water blijft hangen, of als een dropje water, dat in een emmer blijft nadat er het water uitgegoten is. | |
| 61) van de weegschaal; | |
| Dat is, dat in de weegschaal blijft, te weten als men poeder of gestoten kruid of iets dergelijks daarin gewogen heeft. |