In "De vrijheid van een christen" (1520) wijst Luther erop dat het
geloof „de ziel verbindt met Christus, als een bruid met haar
Bruidegom." Christus en de ziel worden tot één vlees gemaakt, zo
worden „ook alle dingen hun beiden gemeen." De gelovige ziel mag de
dingen die Christus heeft als de hare beschouwen en erin roemen.
Christus aanvaardt de dingen van de ziel als de Zijne. Hij aanvaardt
de zonden, de dood en de hel van de bruid. Zijn gerechtigheid is de
zonden van allen te sterk en Zijn leven is alle dood te machtig. Dat
is de enorme bruidsschat, die een eeuwige gerechtigheid voor God
omvat. Zó is zij bruid zonder vlek of rimpel.
Om de reikwijdte te vertolken, schieten mensenwoorden tekort. Luther
doet een poging: „Nu deze rijke en trouwe Bruidegom Christus tot
echtgenoot neemt dit heel arm, ontrouw, overspelig meisje, terwijl Hij
haar vrijkoopt van al haar kwaden en haar versiert met al Zijn
goederen." Nu kunnen haar zonden haar niet langer in het verderf
storten, want ze zijn op Christus gelegd en in Hem verzwolgen. Zij
heeft nu de gerechtigheid van haar Bruidegom als haar eigen door de
geloofsverbondenheid met Hem: „Mijn Liefste is mijn en ik ben Zijn."
Zij mag door genade delen in de overwinning van Christus. In Zijn
lijden, dood en opstanding heeft de Bruidegom Zich voor haar gegeven.