zaterdag 18 maart 2017

* Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren

Psalm 18
26 Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

Psalm 81
14
Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel32 in Mijn wegen gewandeld had!
17 En Hij zou37 het gespijsd38 hebben met het vette39 der tarwe; ja, Ik zou40 u verzadigd hebben met honig uit de41 rotsstenen.

32)dat Israël Dat is, de Israëlieten. Daarom volgt er in den Hebr. tekst, gewandeld hadden, in het getal van velen.   33)gedempt En volgens dien, hun vrede verleend hebben. Verg. 2 Sam. 7:10, en 1 Kron. 17:9.   34)hand Dat is, straf, plaag. Zie de aantekening bij Job 13:21.   35)zich hem Zie de aantekening bij Deut. 33:29. Zie ook Ps. 66:3.   36)hunlieder Te weten, mijns volks tijd, dat is welvaart, gelukzaligheid. De zin is dat zij een langdurig en goed leven zouden gehad hebben.   37)Hij zou Te weten, de Heere.   38)het gespijsd Te weten, zijn volk, Ps. 81:14.   39)het vette Dat is, de bloem, of het beste des korens, gelijk Num. 18:12; Deut. 32:14; Ps. 147:14.   40)Ik zou Dit spreekt nu God wederom in zijn eigen persoon.   41)uit de Versta hierbij dat stede in de reten der steenrotsen in overvloed zou gevonden worden, alzo de bijen in het land Kanaän zich veel in de steenrotsen ophouden. Zie de aantekening bij Deut. 32:13. Hebr. uit de rotssteen. Dit geestelijkerwijze verstaan zijnde, zo betekent de steenrots Christus, 1 Cor. 10:4, en de honing de zoetigheid der woorden, die uit zijnen mond vloeien, zijnde zoetigheid der ziel en gezondheid der beenderen; Ps. 19:11; Spreuk. 16:24; Hoogl. 4:11.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten